maandag 28 mei 2012

Vaarwel, au revoir & goodbye aan de spiegels!


Vorige week liep ik rond met een halfopgevreten gezicht. Althans, zo leek het toch bij het horen van de reacties op het gesprongen adertje in mijn oog. Het was niks ernstigs, maar toch bleef de opmerking: "Maar zeg, jouw oog zit helemaal rood!" voorbij komen, wat ik nog duizend keer vervelender vond dan de rode vlek in mijn oog zelf. Ik kon toen immers niks anders zeggen dan: "Ja, ik weet het." terwijl ik ondertussen hoopte dat mijn oogwit ook echt weer helemaal wit werd. Niet dat ik er last van had, na een week was ik het ge-ieuw gewoon grondig beu.

Ik wist dus dat er een ader in mijn oog gesprongen was, omdat ik dat 's ochtends in de spiegel had gezien. Eigenlijk had ik het al kunnen zien aankomen toen ik de avond ervoor in al mijn enthousiasme mijn jas aantrok (Wat wil je, ik mocht erop uit!) en daarbij met het metalen uiteinde van een lusje tegen mijn oog sloeg. Maar het was pas de day after dat ik net uit bed gerold was en in de badkamer geconfronteerd werd met een spiegelbeeld van mezelf en, alsof mijn net-uit-bed-look als niet erg genoeg is, een rode vlek in het oog. Niet erg aangenaam natuurlijk, maar ik had het tenminste zelf al eerste gemerkt. En toen maakten mijn hersens een rare kronkel, want ik zag opeens een heel nieuwe wereld voor me.

Namelijk een wereld waarin je alleen de andere kan zien en nooit jezelf. Zou dat ons leven helemaal ondersteboven gooien? Natuurlijk. Maar wat als we nooit beter hadden geweten? We zouden wel nog onze armen en andere vrij beweegbare ledematen kunnen bekijken, maar hoe ons gelaat en ons lichaam er in zijn geheel uitziet zouden we nooit weten. Daartoe zouden ten eerste spiegels, die al sinds de oudheid bestaan, de mens is immers altijd een ijdeltuit geweest, verbannen moeten worden. Ook wateroppervlakken, ruiten, deksels van kookpotten en alles waarin de mens ook maar een beetje een weerspiegeling kan bemerken, moeten verdwijnen. Er zouden met andere woorden tienduizenden dingen moeten veranderen, maar in mijn ogen zou het het allemaal waard zijn.

In al mijn enthousiasme ben ik echter nog één struikelblok vergeten weg te werken, namelijk foto’s. In de puur imaginaire wereld die ik voor ogen heb, zou dat geen probleem zijn, moest het om foto’s van andere mensen gaan. Maar wat op feestjes? Iedereen zou wel kunnen poseren voor een groepsfoto, maar die zou uiteindelijk nooit door iemand gezien mogen worden, omdat ze er altijd zelf ook op zullen staan. En voor we een hypergesofisticeerde samenleving terecht komen waar het iemands job is om foto’s te censureren, dumpen we gewoon al de camera’s. Een paar van mijn vrienden die gewoonlijk net heel wat vogels de andere kant op zien vliegen als er een camera opduikt, zouden dan waarschijnlijk enorm tevreden zijn.   

Minder tevreden zouden de vele modellen zijn die dan op straat staan. Het is immers niet de bedoeling dat ze opeens de Vogue openslaan en daar zichzelf aantreffen.  Maar he, always look at the great side of life: misschien zouden dan al die klote ziektes zoals anorexia en boulimie verdwijnen, omdat we eindelijk niet meer constant geconfronteerd worden met beelden waaraan we volgens de modewereld aan moeten voldoen. Daarnaast kan er ook niemand meer zeuren dat hij/zij niet fotogeniek is, er zullen nooit meer naaktfoto’s uitlekken (aangezien ze niet meer gemaakt kunnen worden) en vriendinnen kunnen nooit meer voorstellen om debiele foto’s te nemen die ze dan vervolgens op allerlei sociale netwerksites pleuren. En ik vergeet ze bijna! Ook de aandachtsgeile tienermeiden van wie de nummer één bezigheid het posten van foto’s is waar ze dan vervolgens de beschrijving “Ik ben zooooo lelijk he”, bijzetten om daarna wel gewillig alle complimentjes die ze krijgen te incasseren. Je zou haast een beetje opgewonden raken bij het, helaas wel onmogelijke, idee om al de camera’s ter wereld te vernietigen.

Maar nu ik er vrij zeker van ben dat al de praktische aanpassingen gemaakt zijn, kunnen we ons gaan inbeelden hoe zo’n leven zou zijn. Wellicht zou het ons veel hilarische situaties opleveren. De baas die met een klak mayonaise aan zijn wang het kantoor binnenstapt, een klasgenoot die een hele dag met zijn trui binnenstebuiten rondloopt, iemand die een potlood in zijn haar heeft zitten, iets groens tussen de tanden, etc. Zo’n dingen komen nu ook al voor, maar meestal kunnen we zelf nog de schade beperken door op tijd en stond eens een blik in de spiegel te werpen. Als je jezelf niet kan zien, komt het op anderen aan. En als zij beslissen om je niks te vertellen dan kan je wel een tijdje voor schut rondlopen.

Vandaar dat ik me afvraag of mensen ook eerlijker zouden worden. Als je zelf enkel op de mening van een ander kan vertrouwen, word je daar vanzelf ook niet eerlijker van?  Waarom zou je liegen over hoe goed je vriendin staat met die nieuwe rok die ze net heeft aangetrokken als het eigenlijk spuuglelijk is? Want wat als jij straks met een verschrikkelijk kledingstuk de paskamers komt uitgewandeld? Wil je dan liever een gemeende: “Dat staat jou echt niet!” of eerder een geveinsde: “Oh, mooi hoor!” horen? Hoogstwaarschijnlijk zal je voor het eerste opteren.  Of hoe we eindelijk een eerlijk antwoord zouden krijgen op de eeuwenoude hamvraag: “Is mijn gat te dik in deze rok?”

En verliefd worden? Gaat dat dan de Belle en het Beest-toer op? Ik ben er echter vrij zeker van dat iedereen het al eens uit z’n mond heeft horen rollen: “Soort zoekt soort.” Of met andere woorden: mooie mensen daten mooie mensen en lelijke, dikke of gewoon normale mensen die net niet onder de noemer “mooi” vallen zoeken genegenheid bij elkaar. Oke, ik loop misschien iets te hard van stapel. Persoonlijkheid, en dan liefst een aangename, speelt natuurlijk ook nog steeds mee bij het op zoek gaan naar de liefde van ons leven. En in de wereld zonder spiegels, zou het nog veel belangrijker zijn om tof gezelschap te zijn.

“Hoezo dan?” Hoor ik je denken. Wel ten eerste weet je niet of je mooi bent. Je kan wel naar hartenlust andere mensen raten op basis van hun schoonheid, maar over je eigen x-factor kom je nooit iets te weten. Afgezien van mensen die je zeggen dat je er goed uitziet (of juist niet), maar waarom zou je hen vertrouwen? Hoogstwaarschijnlijk liegen ze toch. Dus komt er bij de zoektocht naar de ideale partner erop gewoon op aan om je niet te laten leiden door het uiterlijk van de ander, maar wel elkaar echt te leren kennen. Voel je de kansen op een happily ever after voor iedereen stijgen

Hoewel het nu hoogstwaarschijnlijk allemaal wat abstract lijkt, zou het na een tijdje gewoon natuurlijk zijn dat men zichzelf nooit kan bekijken. Minstens even natuurlijk dan als hoe men het nu gewend is om af en toe een blik in de spiegel te werpen. Ik denk dat het tot best amusante avonden onder vrienden zou kunnen leiden. Met een drankje en hapje bij de hand beschrijven hoe de ander eruit ziet. Het lijkt me best gezellig, alleen zou ik het dan achteraf niet kunnen laten of even een amateuristische robotfoto te maken op basis van de beschrijving die ik van mezelf te horen heb gekregen. Of ik dan teleurgesteld ben of niet, het zou niks uitmaken: ik moet toch nooit naar mijn eigen smoel kijken.

Helaas zal dit alles op planeet aarde nooit kunnen gerealiseerd worden, maar moest er ooit bij plaatsgebrek een andere planeet zijn deuren openen: dan dien ik bij deze graag dit idee in!

Ik zit zonder internet, alweer.


Noot: aangezien ik dit heb kunnen publiceren, zit ik natuurlijk NU niet meer zonder internet. Zie het maar als 'het dagboek van het meisje dat eens paar dagen zonder internet zat'. 


Al wekenlang wordt mijn familie geteisterd door een zeer slechtwerkende internetverbinding. Het is maar best dat de router geen gevoelens heeft of hij zou zich van een brug storten na het horen van al de verwijten die hier in huis de laatste tijd rijkelijk klinken. Alhoewel, bij nader inzien zou hij gerust mogen verdwijnen en nooit meer terugkomen. Met veel plezier zou ik hem door een gloednieuwe vervangen die tenminste doet wat we van hem vragen. Gelukkig, heeft mijn vader eindelijk actie ondernomen nadat we voor de zoveelste keer urenlang afgesloten waren van het wereldwijde web.

Gisteren, een vrijdag, belde mijn vader nog met één of ander Belgacom-mens (zie dit zeker niet als product placement), maar dat gesprek liep, althans volgens mijn vader, niet zo vlot. Eerste wilde Mariska een lasser laten langs komen… op dinsdag. Dat was in mijn vaders ogen een zeer onredelijke oplossing, aangezien hij als webdesinger altijd op internet moet kunnen rekenen. Vervolgens stelde Mariska, een beetje in paniek waarschijnlijk, je wil mijn vader immers echt niet aan de lijn hebben als hij geërgerd is, voor om een internetstick op te sturen met de post. Weer vergeefse moeite, want er stond een verlengd weekend voor de deur, waardoor de stick zou hier dus zeker niet vroeger geraken dan meneer de lasser. Uiteindelijk besloot het arme meisje om er zich van af te maken en ons naar de dienst financiën door te verwijzen, waardoor we ons ondertussen de eigenaar mogen noemen van ons allereerste dossier bij Belgacom. Maar internet? Dat is er nog altijd niet.

Het zijn in zo’n situaties dat ik moet ontdekken hoe erg ik op dit medium gesteld ben. Ik denk dat ik niet alleen voor mezelf spreek als ik zeg dat toegang tot internet wel eens een onofficiële basisbehoefte van de eerste wereld zou kunnen zijn. Al zal dat wel niet altijd voor nuttige toepassingen zijn. Waarschijnlijk zijn er al een heleboel uren van de levens van een heleboel mensen verloren gegaan, allemaal opgeslurpt door het wereldwijde web. Daar mag je helaas ook mezelf onder rekenen. Toch was ik er nog niet zo lang geleden van overtuigd dat eigenlijk de tv de grote boosdoener was op het vlak van tijd verspillen. Als een echte messias verkondigde ik te pas en te onpas: “Wil je slim worden? Gooi je tv weg!” Die redenering heb ik wel nog nooit wetenschappelijk kunnen onderbouwen, maar het feit dat een aantal van mijn leerkrachten die zich in mijn ogen zeer slim mogen noemen, geen tv hebben, zei voor mij toen genoeg.

Al slagen zij er waarschijnlijk wel in om het internet vervolgens voor interessante en leerrijke doeleinden te gebruiken. Ik daarentegen, zit zoals al bij elke tiener, elke dag op Facebook, Twitter, Youtube, etc. Heel soms, als ik eens wat tijd overheb, zou ik wel eens De Standaard online lezen. Dan ben ik trots dat ik toch even de actualiteit heb gevolgd. Maar als ik me dan weer een uur heb beziggehouden met andere dingen, terwijl ik nog bergen ander werk heb liggen, word ik altijd een boos op mezelf. Dan probeer ik me voor te nemen dat de volgende dag wel een productieve dag zal worden, maar vaak loopt dat dan weer op hetzelfde uit. De lokroep van het internet is echter zo groot, dat haast niemand eraan kan ontsnappen. En hoewel ik nu ook gewoon zou kunnen gaan leren voor mijn toets wiskunde, zit ik in plaats daarvan dit stukje te schrijven over hoe ongemakkelijk ik me voel, terwijl ik om de haverklap de verbinding check. Het voelt haast alsof ik elk contact met de buitenwereld kwijt ben, alsof ik in een isolatiecel zit, ook al is dat helemaal niet zo.

En hoewel je waarschijnlijk al aan het twijfelen slaat: ik ben echt niet verslaafd aan mijn computer en/of internet. Ik zweer het, ik kan perfect zonder. Ik zou er gewoon eventjes op moeten oefenen en misschien zou ik het dan enkel voor de meest noodzakelijke dingen gebruiken. Nu lukt het ook al wanneer ik voldoende andere afleiding  heb. Op vakantie bijvoorbeeld, daar heb ik echt geen nood aan een internetverbinding. Tijdens het intensief studeren is het ook geen probleem. Al is dat laatste stilaan ook al onmogelijk geworden om zonder pc te doen. Zo was ik deze week volop geschiedenis in mijn hoofd aan het stampen, toen er opeens een woord opdook, waarvan ik niet eens kon bedenken in welke richting ik de betekenis zou moeten zoeken. In een normale situatie had ik toen mijn trouwe vriend Google geraadpleegd, maar nu moest ik de Dikke Vandale van onder het stof halen. Ah, zo kon ik tenminste ook nog eens testen of ik nog de volgorde van mijn alfabet kende. Toen had ik plots ook een vraag.  Meestal stel ik die dan via mail of chat aan één van mijn klasgenoten. Nu moest ik daar een telefoontje voor plegen, maar een ik kreeg te horen dat mijn saldo op mijn gsm ontoereikend was. Vervolgens moest ik dus op zoek naar een telefoonboek om met de vaste telefoon naar een vriendin te kunnen bellen. www.wittegids.be raadplegen zat er namelijk niet in. Uiteindelijk ben ik blijven zitten met mijn vraag, want ik had er natuurlijk niet aan gedacht dat we ook niet kunnen bellen als het internet eruit ligt.

Als ik dit hier nu allemaal teruglees, besef ik dat het toch wel dringend tijd is voor actie. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor vele andere mensen van mijn leeftijd. Toen ik onlangs een navraag deed wat de drie woorden waren die het eerst in hen opkwam bij het horen van ‘internet’ reageerde zo wat iedereen met Facebook, Twitter en andere sociale netwerken die ondertussen zo marginaal geworden zijn dat ik het niet waard vind om hen te vermelden. Maar ik wil helemaal geen experte worden in de werking van Facebook. Integendeel, ik wil op de hoogte zijn van wat er speelt in de wereld. Ik wil mijn geest verrijken. Dat zal niet lukken als ik me bezig blijf houden met het verbeteren van mijn tetris high score en het volgen van het leven van mijn vrienden mijn nummer één bezighouding op het internet blijkt te zijn. Het is tijd voor verandering. Als straks de verbinding eindelijk weer aangaat, ga ik eerst en vooral een nieuwssite bekijken, zie het als het begin van een lange weg naar de ultieme bevrijding van de internet-tentakels. En daarna check ik misschien eventjes Twitter en Facebook, echt heel eventjes maar.





zondag 27 mei 2012

Facebook: van menig favoriet tot vreselijk fataal


Ah, ik weet dat ik het niet mag doen. Niet voor de triljoenste keer dit onderwerp aansnijden. Het steekt zwaar tegen, altijd datzelfde gezever. Ik kan het echter niet laten. Excuses op voorhand.

Tot op de dag van vandaag is het eerste woord dat baby’tjes na lang onverstaanbaar gebrabbel produceren nogal vaak  ‘mama’ of ‘papa’. En hop, de trotse ouders in kwestie delen het blijde nieuws op Facebook.  Zo zijn alle tantes, ooms, dichte en verre vrienden, collega’s en met wat geluk ook nog de hippe grootouders in één klap op de hoogte van deze vorderingen. ‘YES! Zoon/dochter heeft eindelijk eens twee lettergrepen die samen een bestaand woord vormen geproduceerd!’ Voorheen (wat wil zeggen voor allerlei sociale netwerken ons gingen dwingen om wat dan ook te delen) zou zoiets in één van die ondertussen haast vintage babyboekjes genoteerd worden. Dus ik denk dat ik m’n punt gemaakt heb: de sociale media heeft een serieuze verandering op gang gebracht (ofwel: ze heeft heel wat verkloot).
‘Mama! Papa! Wat was het eerste woordje dat ooit uit m’n mond kwam?’ – ‘Oh, dat weet ik nog wel, laat ik even m’n oudste Facebookberichten checken.’

Is dit wat ons te wachten staat? Een tijd waarin we met ‘vrienden’ niet langer de mensen bedoelen met wie je goed kan praten en plezier hebt, maar de vele oppervlakkige contacten op Facebook? Let’s hope not. Eerlijk, ik heb er ook een account, als leek zou ik immers deze sociale netwerksite niet zo bikkelhard kunnen beoordelen, maar daarop voeg ik enkel mensen toe die ik écht ken. Niet de eerste beste pipo’s die denken dat ze we bevriend zijn, omdat we op dezelfde school zitten of omdat we een aantal gemeenschappelijke vrienden hebben. Laat me niet lachen. 
Noot: Ik krijg wel constant opmerkingen over hoe weinig facebookvrienden ik heb. Alsof ik als een vriendeloze sukkel door het leven ga , gewoon omdat ik nadenk voor ik de ‘bevestig vriendschap’-knop aanklik.

Dan heb ik nog niet gesproken over dat constante gemanipuleer op Facebook. Alles wat je leuk vindt, bekijkt, reageert, etc. houden hun slimme marketeerders bij en op basis daarvan bepalen ze met welke advertenties ze je zullen bestoken. En aangezien ik ook een account heb, zoals ik al eerder vermeldde, kon ik het niet laten om even te checken wat ik aan reclame op mijn startpagina heb staan. Blijkbaar ben ik geïnteresseerd in treininfo naar school, jurkjes met 75% korting, een fotograaf die zowel professionele als amateur-modellen op de gevoelige plaat vast legt en Birdy’s Skinny Love. Tja: ‘Come on skinny love, what happened here?’ Ik weet echt niet waar ze het vandaan halen en hoe de weerloze gebruikers, waaronder mezelf, het blijven toelaten.

En mensen raken steeds meer verslaafd aan deze site. Onlangs moest ik tijdens een bibliotheek-bezoek de openbare computers gebruiken om een aantal recensies op te zoeken. Ik heb me tijdens dat half uurtje dat ik de pc mocht gebruiken, heel erg geschaamd telkens ik mezelf erop betrapte mee te kijken met de volwassen man naast me die constant aan het ‘facebooken’ was. Oke, ik begrijp dat sommige mensen zich misschien geen computer kunnen aanschaffen, maar is openbaar in de bibliotheek, en ik was niet de enige die kon meekijken, steeds profielen en foto’s van je ‘vrienden’ bekijken dan zo’n geweldig alternatief? Ik dacht het niet. Mocht hij dit trouwens ooit lezen: leuke foto hoor, zo zwemmend met de dolfijnen!

Mijn oma heeft nu trouwens ook Facebook. Het lijkt wel een openingszin, want het eerste wat mensen daarop zeggen is: ‘Wauw, leuk zeg, zo’n hippe grootmoeder.’ Dan moet ik echter meteen een kanttekening maken bij dat feit. Het was namelijk mijn opa die als nieuwjaarscadeau een laptop had gekregen. Hij is nog steeds jong van geest en een verstandig man dus we wisten allemaal wel dat hij er overweg mee zou kunnen. Maar uiteraard is m’n oma met internet in huis ook in de val van Facebook gelopen. In het begin vond mijn grootvader dat niet erg, ze mocht gerust elke dag wel even een uurtje op (lees: Facebook checken), maar na verloop van tijd wilde ze dat steeds vaker en vaker en toen hadden ze hun befaamde Facebook-ruzie. Mijn oma heeft het dan maar opgelost daar zich een tweede laptop aan te schaffen, en ja, enkel en alleen om naar hartenlust te kunnen ‘facebooken’… en natuurlijk uitgebreid de profielen van haar kleinkinderen te kunnen controleren.

Dat is ook het probleem: Facebook raakt overal weg mee, omdat zoveel mensen eraan verslaafd zijn. Neem nu die compleet overbodige timeline die ze hebben ontwikkeld. Ik vind er niks en zal er nooit iets aan vinden, maar binnenkort wordt hij verplicht m’n strot doorgeduwd. Stof genoeg voor een niet zo genuanceerde discussie in de klas, waarbij ik één klasgenote citeer (lees in het West-Vlaams): “Zeg, als ze da doen, benk daar weg wih! Wuk een belachelijk dingne is me da!” Toch ben ik zeker dat ze er na de verplichte invoering van de tijdslijn nog altijd zal zijn, want je account verwijderen is stilletjes aan de volwassen versie van weglopen geworden. We weten allemaal dat je het voor de aandacht doet en het is haast onwaarschijnlijk dat je nooit terugkomt.

Trouwens, heeft er iemand al eens over nagedacht hoeveel relaties kapot gaan met Facebook als de echtbreker? Vandaag las ik alweer een artikel in Libelle (Ja, ik lees dat op het toilet.) over een man die zijn eerste echte grote liefde terug gevonden had via de site. Hij had ondertussen al een gezin, maar een afspraakje met die leuke dame kon toch helemaal geen kwaad? Mispoes, de eerste kus was ‘magie’ en hij wist meteen dat zij de ware was. Zijn lieftallige echtgenote werd zijn niet zo lieftallige ex-echtgenote en hij met zijn oude vlam hoopte hij die verliefdheid van vele jaren terug te herbeleven. Wat een mooi verhaal voor de (eventuele) kleinkinderen. ‘Weet je dat oma en opa elkaar eigenlijk hebben teruggevonden via Facebook. Ja, ja, in de goeie ouwe tijd ging dat nog zo!’

Eigenlijk voel ik me wel een beetje schuldig. Ik heb nu al bijna twee A4’tjes vol geschreven met alleen maar gezeur over deze sociale netwerksite, terwijl ik ondertussen al drie notificaties heb. Zou Facebook iets geworden zijn als roken? Het is algemeen bekend dat het niet zo goed voor je is, maar eenmaal je ervoor gewonnen bent, is er nog maar een moeilijke weg terug. Een weg die vele mensen liever vermijden, waardoor ze dus de afslag nooit nemen. En zo zal ook Facebook ongetwijfeld blijven bestaan, wat geen probleem zou zijn, moest ik niet Lore Declerck, maar wel Mark Zückenberg heette.