"Ik kan je niet vergeven." Ze probeerde vastberaden te klinken, maar tegelijk voelde ze de knoop in haar maag alleen maar groter worden. “En weet dat ik je ook nooit meer hoef te zien,” voegde ze er nog aan toe. Terwijl ze naar hem keek, verafschuwde het haar dat iemand die ze door en door dacht te kennen in een paar luttele seconden mijlenver van haar af kon komen te staan. Want de man die voor haar zat, was wel degelijk diegene waarvan ze exact wist welk kleur zijn ogen had en hoeveel rimpels zijn voorhoofd tekenden. Ze kon ook perfect uitleggen hoe hij aan het litteken op zijn pols was gekomen en als je het had willen weten had ze je verteld dat hij zijn koffie het liefst zwart met veel suiker dronk. Toch was nu gebleken dat ze nooit had geweten wat er zich in zijn hoofd afspeelde, wie zijn gedachten bezat en hoe extreem goed hij kon liegen.
Na verloop van tijd bezweek de man onder haar priemende blik en begon uit het raam te kijken. Waarschijnlijk wenste hij op dit moment vurig één van de voorbijgangers te zijn. Nadat de spanning in de kamer niet meer te snijden was, keek hij haar weer aan, maar bleef zwijgen. Ze wist dat het niet uit koppigheid was, maar gewoon omdat hij ondertussen eveneens besefte dat zijn woorden er niet mee toe deden. Een traan welde op en begon traag over zijn gerimpelde wang te rollen. Meteen daarna volgde er nog één en nog één. “Huil maar,” dacht ze. “ik krijg er de afgelopen vijftig jaar van mijn leven niet door terug.”
Ze had meteen gemerkt dat er iets grondig mis was toen hij daarstraks thuiskwam. Zijn gelaatsuitdrukking en de toon waarop hij: “We moeten even praten,” uitsprak, deden allerlei rampscenario’s door haar hoofd schieten. Nooit had ze verwacht dat ze te horen zou krijgen wat hij toen begon te vertellen.
“Luister, je moet me eerst laten uitspreken.”
“Jan, wat is er aan de hand?” Haar hart begon spontaan sneller te kloppen vanwege haar slecht voorgevoel.
Hij ging verder: “Ik heb je dit al heel lang willen vertellen en je moet weten dat ik dat heel vaak geprobeerd heb, maar iedere keer weer hield iets me tegen.”
Ze wilde vragen wat hij in godsnaam bedoelde, maar dacht aan haar belofte om hem te laten uitspreken dus hield ze wijselijk haar mond.
“Agnes, hoeveel ik ook van je houd, ik moet hier weg.”
“Hoezo, je moet weg?” Haar stem sloeg over. Ze herhaalde het, wanhopiger en kordater deze keer: “Jan, hoezo moet je weg?”
Hij zuchtte: “Toen ik jou ongeveer 50 jaar geleden ontmoette, was er nog een ander meisje in mijn leven: Rosa. Ik leerde haar kennen tijdens een legermissie op verplaatsing. Een keuze maken tussen haar en jou was onmogelijk. Ik was én ben stapelverliefd op jullie allebei.”
Haar eerste gevoel van paniek maakte plaats voor walging, absolute walging. En hoewel het nu leek alsof hij verwachtte dat ze iets zou gaan zeggen, zweeg ze, uit verbijstering.
Enigszins ontmoedigd door haar zwijgen, ging hij verder: “Dus ben ik zwak geweest en heb ik geen keuze gemaakt. Vijftig jaar lang heb ik erop gelet dat jullie elkaars bestaan niet te weten kwamen. Maar Rosa is ziek, Agnes, levensbedreigend ziek. En dus wil ik er constant voor haar zijn in deze periode, niet halftijds zoals in de afgelopen vijftig jaar.”
En op die manier had ze dus een dikke tien minuten geleden ontdekt dat haar hele leven grotendeels een leugen was geweest. Plotseling had ze er genoeg van. De man, die ze jarenlang haar echtgenoot had genoemd, moest dit huis verlaten. Ze wilde niks meer met hem te maken hebben.
“Verdwijn!” riep ze daarom. Ze bleef het herhalen, steeds heviger, tot hij opstond, zijn spullen pakte en zich naar de deur begaf. Voor hij die achter zich dichttrok, keek hij nog één keer om. Dat was de laatste keer dat hij haar zou zien.
Eens dat gebeurd was, bleek ze de rustigheid zelve, want ze wist immers wat haar te doen stond. Eerst ging ze naar de keuken, draaide de kraan open en plensde wat koud water in haar gezicht. Daarna trok ze één bewuste kast open en ze vond er precies wat ze zocht: al zijn pillen voor de komende week in nog ongeopende doosjes. Ze maakte al de verpakkingen open en klikte de pilletjes los. Het waren er 30 à 40 in verschillende kleuren en vormen. Wanneer ze daarmee klaar was, aarzelde ze niet en bracht haar hand naar haar mond en slikte door. Vervolgens ging ze terug naar de woonkamer, waar ze languit op de sofa ging liggen. Ze wierp nog een blik op hun huwelijksfoto. Toen sloot ze haar ogen.