zaterdag 9 november 2013

Dat heet dan gelukkig zijn


Ze was gelukkig. Ge-luk-kig. Eigenlijk schoot dit woord ruimschoots te kort om het intense gevoel dat haar recentelijk overvallen was te omschrijven. De indeling in drie lettergrepen kon ze nog begrijpen. Ze had immers zelf drie stadia doorlopen vooraleer ze besefte dat ze zichzelf gelukkig kon noemen. Ze had hem ontmoet en gevoelens voor hem gekregen, samen hadden ze ettelijke fijne momenten beleeft  tot ze uiteindelijk op dat hemelse punt beland waren en ze beseften dat ze gelukkig waren.

Na het veelvuldig in de mond nemen van het woord, viel haar wel op hoe de gekozen klanken amper aansloten bij de specifieke ervaring van gelukzaligheid.  De klinkers waren dof en kort, net nu de Gelukkige te pas en te onpas aaah's, oooh's en oeeeh’s kirde: “Aaah, de geliefde heeft weer aan mijn gedacht.” / “Oooh, wat zijn de bloemen die hij me zendt mooi.” / “Oeeeh, wat verlang ik hem vanavond met kussen en zoveel meer te overladen.”

De medeklinkers vielen evenmin in de smaak. Ze lagen hard in de mond en kwamen er met een zodanige explosieve kracht uit dat de gelukkige vreesde dat de zachte sereniteit van haar verliefdheid verloren zou gaan. Bovendien ontbrak hen elke vorm van muzikaliteit, zodat de drang van de Gelukkige tot het neuriën van de typische verliefdheidsmelodietjes niet eens kon ingelost worden. Gelukkig, werd de eer van het woord gered door één letter die de rol van uitzondering bijster goed vertolkte. De l, trouwens niet voor niets de l van liefde, liet de lucht namelijk zonder enige hindernis de mond uit stromen en verleende de Gelukkige tevens de mogelijkheid naar hartenlust de lala’en.  

Uiteindelijk was de Gelukkige vooral gelukkig en wist ze zelf ook wel dat al dan niet slechte benaming niets afdeed van de ervaring die haar hele lijf deed tintelen, haar mondhoeken constant liet omhoog krullen en de meest natuurlijke en gezonde blos ooit op haar wangen toverde. Ze speelde dit soort kritische spelletjes alleen maar om het brandende verlangen naar hem even te blussen. Ver-lang-en. 

Dwangneurose

Hier zit ik dan. Ik wed dat geen enkele andere leerling het opmerkt. Zelfs als het hen zou opvallen, waarom zou het hen dan ergeren? In hun ogen heeft de leerkracht alleen maar het bord uitgeveegd. Met één veeg van de machtige bordenwisser zijn alle letters, in de hoop dat ze ons tijdens hun korte bestaan iets hebben bijgebracht, gewist. Ze zijn nu volkomen verleden tijd en ze zullen nooit meer op exact dezelfde wijze aan het bord kunnen gebracht worden. Buiten dat ene hardnekkige streepje rechts onderaan. Ik kan me nog precies voor de geest halen welk woord er stond. Het was ‘vijand’ en inderdaad, het stokje van de ‘j’ heeft als een waardige tegenstander de aanval van de bordenwisser overleefd. 

Opdracht: antagonist bedenken



Deel 1: [300 - 550 woorden] [Beschrijving antagonist]

In de lente van 63 v.C. maakt Rome zich klaar voor de verkiezingen van consuls en praetoren voor het jaar daarop. Verschillende kandidaten lanceren voor beide functies hun campagnes. Er wordt echter al snel duidelijk dat de twee bekendste kandidaten ook het populairst zijn bij de kiezers. Aan de ene kant hebben we Titus Cornelius Clemens, een optimates. Hij gaat voor het consulaat. Aan de andere kant bevindt Mamercus Sergius Marcellus zich, een populares, die de functie van praetor wil bemachtigen. Natuurlijk waren er nog andere kandidaten voor het consulaat (aangezien er twee consuls zijn) en voor het praetorschap (er worden 8 praetoren verkozen), maar die kregen amper aandacht.

Alles lijkt dus in kannen en kruiken voor deze twee. Ze mogen er redelijk zeker van zijn dat ze unaniem verkozen zullen worden en hoeven dus ook niet te piekeren over het vele geld dat ze in hun campagne investeren. Eenmaal ze hun ambt bekleden, zullen ze dat toch gewoon terug verdienen. 


Maar toch ontstaat er wrevel. Want Clemens die, zoals zijn bijnaam doet vermoeden, een zachte en rustige man is, wordt in Rome algemeen beschouwd als de ‘good guy’. Hij pleit voor veel overleg, gehoor geven aan de mening van zowel rijk als arm en hij wil ten allen tijde vermijden dat eventuele conflicten niet snel opgelost worden. Hij vormt dus een uitstekende en betrouwbare kandidaat voor het consulaat. De meningen zijn echter verdeeld over Marcellus. Hij wordt door de elite veracht, omdat hij tijdens zijn jeugdjaren verschillende malen gewelddadige aanvallen pleegde op belangrijke Romeinse individuen. Zelf beweert hij echter dat hij zich bekeerd heeft en enorm veel spijt heeft van zijn zonden. Toch behoudt hij zijn imago van krijgshaftige vrijheidsstrijder, waardoor de laaggeschoolde plebs hem op handen draagt. Dit reflecteert vervolgens in de steun van de volkstribunen.

Deze tegenstellingen worden door Clemens echter genegeerd. Hij gelooft er steevast in dat zijn politiek van overleg ook dergelijke strubbelingen zal kunnen overwinnen. Hij kijkt zelfs enigszins uit naar een samenwerking met Marcellus als praetor. Die laatste heeft echter in de gaten dat hij met Clemens aan consul weinig van zijn ideeën zal kunnen doorvoeren. Clemens lijkt namelijk wel open te staan voor voorstellen van het andere kamp (optimates vs. populares), maar volgens Marcellus is dit gewoon een manier om een klinkende overwinning bij de verkiezingen te kunnen binnen halen en daarna de touwtjes in handen te kunnen nemen. 

Dus begint bij Marcellus stilaan het idee te dagen om ofwel Clemens zich op een bepaalde manier te laten terugtrekken uit de verkiezingsstrijd ofwel om hem voorgoed uit de weg ruimen. Daarom besluit hij met een aantal van zijn laaggeschoolde plebejische aanhangers een samenzwering te organiseren tegen Clemens.



Deel 2: [400 - 650 woorden] [Denkstuk antagonist]

Clemens moet eraan. Of we moeten hem in ieder geval uit Rome zien te krijgen. Maar hoe? Als hij weet dat ik een samenzwering beraam laat hij me zeker doden. Daar is dat zogenaamd heilig boontje zeker toe in staat. Slechts een vingerknip van hem volstaat om tientallen aanhangers op mij af te sturen. Dat kan ik niet riskeren.

Hem op basis van een bepaalde wet in ballingschap krijgen is haast onmogelijk. Die vervelende klier kan al zijn slechte kantjes zo goed wegsteken dat er niets is om hem op te pakken. Tenzij ik een mannetje achter hem aanstuur. Ja, het zou geweldig zijn moest er iemand van mijn aanhang in de zijne kan infiltreren. Zo weten we ook meteen waar en wanneer Clemens ergens aanwezig is. Dat kan uiteindelijk alleen maar in ons voordeel spelen als we hem ooit in een dodelijke val zouden willen lokken.

En stel nu dat ik daarnaast één van mijn vertrouwelingen het bevel geef een aantal plebejers zodanig op te fokken dat ze uit zichzelf Clemens zouden willen uit de weg ruimen. Er zijn er zeker een aantal die onvoorwaardelijk mij zullen steunen, aangezien ze Clemens ook verachten, maar dat zijn er nog niet genoeg. Alleen als we een aantal bezwarende bewijzen hebben tegen Clemens zullen er zeker snel nog meer volgen. En eens dat gebeurd is, kunnen we overgaan tot een samenzwering.

Dus oke Marcellus, concreet moet je nu een mannetje zien te vinden die Clemens kan beginnen in de gaten te houden. Wie zou daarvoor in aanmerking kunnen komen? Cupitas misschien? Alhoewel, die zal meteen door de mand vallen. Hij is veel te zachtaardig voor zo’n praktijken. Lucius lijkt me dan beter geschikt. Maar verdorie, zijn vrouw kan elk moment bevallen, dus waarschijnlijk zal hij zich niet willen begeven in dit soort malafide praktijken. Laat ik anders gewoon voor Victor gaan. Morgen zal ik hem bij mij laten roepen.

Vervolgens zal ik morgen ook Tetricus bij mij laten komen. Die zal ik vragen beginnen stilletjes aan onrust te veroorzaken onder het volk. Een paar woestelingen volstaan om mee te beginnen. Zij zullen zelfs al bereid zijn Clemens geweld aan te doen zonder dat Victor enige bewijzen heeft. Het enige obstakel is dan enkel dat ik niet weet of ik Victor en Tetricus wel zeker kan vertrouwen. Een bedreiging zal natuurlijk averechts werken en hen alleen maar meer in de armen van Clemens drijven. Maar ik heb de middelen niet om hen een beloning die groot genoeg is te beloven. Alles is besteed aan de campagne. Lap, hoe ga ik hen dan in godsnaam overtuigen?

Verdômde Clemens.

Stream of conciouss

Ik kijk naar de steeds korter wordende rij voor mij en voel me doodnerveus, ja doodnerveus is wel een woord dat bij me past op dit moment, aan de ene kant zou het kunnen betekenen dat ik een tikkeltje nerveuzer ben dan gewoon nerveus, zoals je gewoon nerveus kan zijn als je een presentatie moet geven voor een twintigkoppige klas of als je in de zetel zit te kijken naar de lotto-uitslag van die week met een ondertussen al met ezelsoren en kreuken versierd biljet, maar ik ben dus doodnerveus wat betekent dat ik mijn lichaam grote porties extra stress bezorg, maar daar neemt mijn lichaam niet zomaar vrede mee hoor, nee nee, mijn lichaam gaat omgekeerd ook wat met mij klooien, mijn blaas wat extra belasten bijvoorbeeld en dat is vervelend, want aangezien ik in de rij moet blijven staan, kan ik niet meer naar het smerige en stinkende toilet waar ik de afgelopen uren al meerdere malen met mijn neus dichtgeknepen mijn behoefte deed, nadat ik uiteraard de wc-bril netjes had afgedekt met een laag wc-papier, wie weet welke viespeuken, of andere doodnerveuze mensen, ook al op die bril gezeten hebben, mijn buik wordt ook niet gespaard van, tja, van wat, ik kan niet zeggen vlinders, want vlinders in je buik voel je zogezegd als je verliefd bent, wat voel je dan in je buik als je doodnerveus bent, misschien spreekt men dan van rupsen in je buik, maar dat is natuurlijk te belachelijk voor woorden dus ik hou het maar op een knoop in m’n maag, oke dat is aan de ene kant waarom ik doodnerveus zou kunnen zijn, aan de andere kant kan ik ook doodnerveus zijn omdat ik nerveus ben dat dit mijn dood word, dat weet ik natuurlijk niet zeker, maar het kan natuurlijk wel, want straks stap ik hier op dat vliegtuig en dan stort het neer boven een of andere oceaan en krijg ik dat flutvestje niet aan of komt dat zuurstofmasker en dan denk ik terwijl ik naar beneden stort: zie je wel ik had moeten luisteren naar mama en ik had niet moeten gaan. 

"Ik kan je niet vergeven." Ze probeerde vastberaden te klinken, maar tegelijk voelde ze de knoop in haar maag alleen maar groter worden. “En weet dat ik je ook nooit meer hoef te zien,” voegde ze er nog aan toe. Terwijl ze naar hem keek, verafschuwde het haar dat iemand die ze door en door dacht te kennen in een paar luttele seconden mijlenver van haar af kon komen te staan. Want de man die voor haar zat, was wel degelijk diegene waarvan ze exact wist welk kleur zijn ogen had en hoeveel rimpels zijn voorhoofd tekenden. Ze kon ook perfect uitleggen hoe hij aan het litteken op zijn pols was gekomen en als je het had willen weten had ze je verteld dat hij zijn koffie het liefst zwart met veel suiker dronk. Toch was nu gebleken dat ze nooit had geweten wat er zich in zijn hoofd afspeelde, wie zijn gedachten bezat en hoe extreem goed hij kon liegen.

Na verloop van tijd bezweek de man onder haar priemende blik en begon uit het raam te kijken. Waarschijnlijk wenste hij op dit moment vurig één van de voorbijgangers te zijn. Nadat de spanning in de kamer niet meer te snijden was, keek hij haar weer aan, maar bleef zwijgen. Ze wist dat het niet uit koppigheid was, maar gewoon omdat hij ondertussen eveneens besefte dat zijn woorden er niet mee toe deden. Een traan welde op en begon traag over zijn gerimpelde wang te rollen. Meteen daarna volgde er nog één en nog één. “Huil maar,” dacht ze. “ik krijg er de afgelopen vijftig jaar van mijn leven niet door terug.”


Ze had meteen gemerkt dat er iets grondig mis was toen hij daarstraks thuiskwam. Zijn gelaatsuitdrukking en de toon waarop hij: “We moeten even praten,” uitsprak, deden allerlei rampscenario’s door haar hoofd schieten. Nooit had ze verwacht dat ze te horen zou krijgen wat hij toen begon te vertellen. 


“Luister, je moet me eerst laten uitspreken.” 

“Jan, wat is er aan de hand?” Haar hart begon spontaan sneller te kloppen vanwege haar slecht voorgevoel.

Hij ging verder: “Ik heb je dit al heel lang willen vertellen en je moet weten dat ik dat heel vaak geprobeerd heb, maar iedere keer weer hield iets me tegen.”

Ze wilde vragen wat hij in godsnaam bedoelde, maar dacht aan haar belofte om hem te laten uitspreken dus hield ze wijselijk haar mond.

“Agnes, hoeveel ik ook van je houd, ik moet hier weg.”

“Hoezo, je moet weg?” Haar stem sloeg over. Ze herhaalde het, wanhopiger en kordater deze keer: “Jan, hoezo moet je weg?”

Hij zuchtte: “Toen ik jou ongeveer 50 jaar geleden ontmoette, was er nog een ander meisje in mijn leven: Rosa. Ik leerde haar kennen tijdens een legermissie op verplaatsing. Een keuze maken tussen haar en jou was onmogelijk. Ik was én ben stapelverliefd op jullie allebei.”

Haar eerste gevoel van paniek maakte plaats voor walging, absolute walging. En hoewel het nu leek alsof hij verwachtte dat ze iets zou gaan zeggen, zweeg ze, uit verbijstering.

Enigszins ontmoedigd door haar zwijgen, ging hij verder: “Dus ben ik zwak geweest en heb ik geen keuze gemaakt. Vijftig jaar lang heb ik erop gelet dat jullie elkaars bestaan niet te weten kwamen. Maar Rosa is ziek, Agnes, levensbedreigend ziek. En dus wil ik er constant voor haar zijn in deze periode, niet halftijds zoals in de afgelopen vijftig jaar.”

En op die manier had ze dus een dikke tien minuten geleden ontdekt dat haar hele leven grotendeels een leugen was geweest. Plotseling had ze er genoeg van. De man, die ze jarenlang haar echtgenoot had genoemd, moest dit huis verlaten. Ze wilde niks meer met hem te maken hebben.

“Verdwijn!” riep ze daarom. Ze bleef het herhalen, steeds heviger, tot hij opstond, zijn spullen pakte en zich naar de deur begaf. Voor hij die achter zich dichttrok, keek hij nog één keer om. Dat was de laatste keer dat hij haar zou zien.

Eens dat gebeurd was, bleek ze de rustigheid zelve, want ze wist immers wat haar te doen stond. Eerst ging ze naar de keuken, draaide de kraan open en plensde wat koud water in haar gezicht. Daarna trok ze één bewuste kast open en ze vond er precies wat ze zocht: al zijn pillen voor de komende week in nog ongeopende doosjes. Ze maakte al de verpakkingen open en klikte de pilletjes los. Het waren er 30 à 40 in verschillende kleuren en vormen. Wanneer ze daarmee klaar was, aarzelde ze niet en bracht haar hand naar haar mond en slikte door. Vervolgens ging ze terug naar de woonkamer, waar ze languit op de sofa ging liggen. Ze wierp nog een blik op hun huwelijksfoto. Toen sloot ze haar ogen.

donderdag 2 mei 2013

“De consument is de prooi, de producent staat als jager klaar met zijn vangnet.”


In onze huidige maatschappij wordt niemand graag belogen of bedrogen. Goedgelovigheid straffen we immers steevast af terwijl een kritische blik op de wereld volop geprezen wordt. Vanuit dat standpunt durven we ook wel eens te foeteren op onszelf als we ergens ingelopen zijn. Uiteraard nooit erg luid, zodat zeker niemand deze ene misstap uit pure naïviteit te weten komt.  

Ondanks onze grote drang om die verschillende valkuilen te ontwijken, heb ik echter nog nooit iemand met schaamrood op de wangen een product, dat claimt cholesterol verlagend te zijn, in zijn winkelwagentje zien zetten. Ook niet moeilijk te vinden, zijn mensen die af en toe eens  een blikje light frisdrank aan de lippen zetten. En wees maar zeker dat niemand zal ontkennen dat een verpakking waar ‘Volgens traditioneel recept!’ op prijkt, steevast wat extra aandacht krijgt.

Op het eerste zicht is daar niets mis mee. We gaan er immers vanuit dat voedselproducenten aan strenge regeltjes onderworpen zijn. Daardoor denken we dat alles wat op de verpakking staat ook echt waar is. Maar laat dat nu net de grote instinker zijn. In dat opzicht blijken wij, consumenten, steeds meer de prooi te zijn, terwijl de producent als jager klaar staat met zijn vangnet. Er zijn wel een aantal wetten die ons proberen te beschermen, maar fabrikanten vinden probleemloos de achterpoortjes.

Het opvallendst zijn wellicht de vele lightproducten, die de afgelopen jaren als paddenstoelen uit de grond schoten. Op den duur lijkt het zelfs alsof de lightversie van een nieuw product al klaar ligt nog voor de gewone versie op de markt is gebracht. Bovendien is hun populariteit door onze grote obsessie naar een slanke lijn en gezonde levensstijl onmiskenbaar groot. Veel mensen grijpen naar een light product, vaak opvallend door de lichte kleuren op de verpakking, omdat ze er werkelijk van overtuigd zijn dat het gezonder is. Maar daar schuilt het addertje: light producten zijn helemaal niet zo ‘licht’ als men doet uitschijnen.

Om het label ‘light’ te krijgen moet een product 30 procent minder vet, suiker of calorieën bevatten in vergelijking met de normale variant. Dat blijkt makkelijker gezegd dan gedaan, want het is logisch dat men door iets weg te laten uit een product, de hele samenstelling ervan verandert. Toch hebben de fabrikanten daar vrij snel een oplossing voor gevonden: ze voegen er gewoon iets anders aan toe. De kans is dus groot dat een product wel degelijk minder vet bevat, maar dat er in plaats daarvan een dubbele portie suiker aan toegevoegd is.

Hoog tijd dus dat dit soort bedrog aangepakt of op een bepaalde manier bestraft wordt. Al kan het daarop wel eens lang wachten zijn. Vandaar dat er voorlopig nog een zekere verantwoordelijkheid ligt bij de consument zelf. Want wij kunnen wel klagen over het feit dat we bedot worden, maar werpen we eigenlijk wel eens een grondige blik op het etiket van een light product? Je doet er goed aan om de producten die bepaalde zoetstoffen of meer vet en suiker bevatten links te laten liggen. Dat zal ook onze portemonnee tevreden maken, want goedkoop en light producten gaan zeker niet hand in hand. Toch is het allerbelangrijkste dat we onder ogen zien dat niet light producten, maar wel verse en pure producten, echt passen binnen een gezonde levensstijl. Zijn die trouwens niet gewoonweg het lekkerst? 

Tegenwoordig kunnen we ook niet omheen de vele gezondheidsclaims die ons om de oren vliegen. Als we al die voedingsmiddelen zouden moeten geloven, is het eigenlijk vreemd dat er nog mensen nog ziek worden. De één belooft namelijk ‘de weerstand te versterken’, terwijl de ander ‘goed is voor hart en bloedvaten’. Zulke uitspraken zouden, misschien nog meer dan de light producten, verbannen moeten worden. Gezondheid wordt immers alleen bereikt door een gezond en gevarieerd eetpatroon en voldoende beweging. Op die manier verminderen we ook het risico op ziekten. Daarvoor zijn in ieder geval geen ‘actief cholesterol verlagende’ producten nodig.
Laat je ook niet vangen aan ‘traditionele recepten’. De kans dat een product echt nog op grootmoeders wijze gemaakt werd, is immers bijzonder klein.  Voedselproducenten suggereren echter graag dat hun product authentiek is door het bijvoorbeeld een vintage verpakking te geven. Soms plaatsen ze er zelfs lokkende slogans zoals ‘sinds 1900’ op. Als iets al zo lang meegaat, wekt dat bij ons het gevoel van kwaliteit op. Maar ook hier gaat hetzelfde op als bij de vorige besproken gevallen:  de consument wordt misleid.

Ik denk bijvoorbeeld aan de radioreclame van een bepaald merk mayonaise, dat 100 jaar zou bestaan. Haast iedereen kent wel één of ander recept voor deze eeuwenoude saus. Vaak volstaat wat olie, een eierdooier, een beetje citroensap en een snufje peper en zout. Toch zien veel mensen er tegen op om hun eigen mayonaise te maken, waarop ze dan maar een bokaal in de supermarkt kopen. Maar bekijk je de ingrediënten van die mayonaise, zal je merken dat sommige basisingrediënten ontbreken en er een heleboel andere toegevoegd zijn. Die toevoegingen zijn meestal kunstmatige smaak- en kleurstoffen. De authenticiteit van zo’n product is volledig zoek, ook al werd het je wel beloofd.

Fabrikanten zijn in ieder geval niet dom. Ze weten uitstekend welke termen wettelijk beschermd zijn en welke ze, ondanks de leugens, toch op de verpakkingen kunnen zetten. Er is alvast geen beterschap in zicht, want zelfs als sommige claims weggehaald moeten worden, verzinnen de voedselproducenten gewoon weer wat anders om ons mee te lokken. Ook de reclames, die een product extreem goed voor je laten lijken, helpen daarbij. In dit korte bestek lukt het me echter niet om dit aspect van hun bedrog verder uit te werken.

Uiteindelijk komt het erop neer dat we moeten beseffen dat het bedrog er is en dat we er zelf voor kunnen zorgen dat we er niet intrappen. We mogen dan wel in het algemeen kritisch ingesteld zijn, wat extra kieskeurigheid omtrent wat je in de winkelkar plaatst, kan nooit geen kwaad. 

maandag 14 januari 2013

Voor Leila


Met kinderlijk enthousiasme verwelkomt Leila jou terwijl je de woonkamer van het kleine huisje, waar zij en haar mama wonen, binnenstapt. Met twee staartjes van kastanjebruin haar en haar blinkende oogjes waarin hetzelfde bruin van haar haar terugkeert, doet ze je meteen smelten. Ze draagt een rokje dat werkelijk alle kleuren van de regenboog bevat en apetrots laat ze je haar nieuwe sandaaltjes zien, waarbij ze niet genoeg kan benadrukken dat er wel duizenden glittertjes opzitten. Op de kast zie je een verjaardagskroon staan met opschrift: "Leila, vijf!" Wanneer ze ziet dat je ernaar kijkt, zegt ze met een glimlach van puur kindergeluk: "Mooi he. Hebben mijn klasvriendjes voor me gemaakt vorige week! Barry is er een beetje jaloers op." Als je haar wijzende vinger volgt, ontdek je dat ze met Barry de kat des huizes bedoelt die luid ligt te spinnen op tafel. Ondertussen is haar mama druk in de weer om spaghetti klaar te maken, naar verluidt Leila's lievelingsgerecht. Een papa is voorlopig nog nergens te bespeuren.

Het middagmaal is hilarisch. Leila kan duidelijk nog niet erg netjes eten en er komt overal spaghettisaus terecht: op tafel, haar gezicht en jouw nieuwe trui, maar je hebt het ervoor over. Wanneer alles afgeruimd is, slaat de sfeer echter om. Zowel Leila als haar mama beginnen steeds vaker op de klok te kijken. Je begrijpt pas wat er aan de hand is als haar mama zegt: "Leila, meisje, tijd om je valies te gaan pakken, papa komt zo meteen." Leila reageert met een pruillip en een eerste traan bingelt in haar ooghoek: "Maar ik wil niet, mama." Leila's moeder heeft het duidelijk ook moeilijk. Ze bukt zich voor haar dochter, kijkt haar in de ogen en fluistert: "Het is maar voor twee dagen, liefje. Daarna gaan jij en ik weer een heleboel leuke dingen doen!" Ze moet duidelijk moeite doen om niet gewoonweg toe te geven dat ze net zomin wil dat haar dochter dit weekend naar haar vader gaat.

Een uur later gaat de deurbel. Leila heeft een donkerpaars manteltje aangetrokken en staat met een koffertje in de vorm van een lieveheersbeestje klaar in de gang. De man die verschijnt wanneer de deur opengaat, lijkt duidelijk op haar. Een beetje zenuwachtig knikt hij naar Leila's moeder, maar jou schenkt hij geen aandacht. Dan richt hij zich tot Leila: "Liefje, ben je klaar om te vertrekken." Leila piept: "Ja hoor." Daarna draait ze nog een keertje om en heeft haar moeder een dikke smakkerd. Jou werpt ze bij het naar buitengaan nog toe: "Jij bent leuk. Kom je nog eens spelen? Wel twee dagen wachten hoor, dan pas ben ik er weer." Bij jouw thuiskomst merk je dat er de hele namiddag een glittertje op je gezicht moet gezeten hebben: één van de duizenden glittertjes van Leila's nieuwe sandalen.